Veel gevoelige mensen voelen spanning, zonder dat ze echt overbelast zijn. Dit is niet omdat ze te veel doen, maar omdat ze te ‘open’ zijn in een wereld die steeds zwaarder aanvoelt.
Dit verhaal gaat over die spanning — en over wat er nodig is om haar te leren dragen.

De sneeuw viel onverwacht rijkelijk en legde een zachte, dempende laag over alles heen. Geluiden werden ingehouden, beweging vertraagde vanzelf, alsof de wereld zichzelf even tot stilte maande. Blijf maar binnen. Doe maar rustig. Laat maar even.

Het was precies zo’n moment waarop ik van alles wilde doen. Niet buiten, maar binnen — in mijn hoofd. Technische dingen, plannen uitwerken, bouwen aan iets dat focus vraagt en overzicht. En juist daar begon het te wringen. De stroom viel uit. Of eigenlijk: gedeeltelijk. Hij deed het half, onbetrouwbaar, alsof hij elk moment weer kon wegvallen.

Geen enkel apparaat bleek overbelast, niets wees zich aan als oorzaak. We zochten, schakelden dingen uit, probeerden te begrijpen wat er misging, maar er was niets dat zich liet aanwijzen. En later, zonder verklaring, werkte alles weer. Alsof het probleem nooit had bestaan.

Dat soort storingen zijn lastig. Je kunt ze niet oplossen, niet afronden, niet plaatsen. En misschien is dat precies wel hun betekenis.

Wat mij bezighield, was dat dit geen standaard verhaal van overspanning was. Er was geen overvolle agenda, geen uitputting, geen duidelijk ‘te veel’. Ik was uitgerust, rustig in mijn hoofd en toch voelde ik spanning. Niet overduidelijk, maar subtiel, scherp, bijna pijnlijk. Alsof er ergens een open plek was die alles registreerde, maar nergens zijn weg kon vinden om te landen.

Wat ik steeds vaker zie — bij mezelf en bij de mensen die ik ontmoet in mijn werk — is dat deze spanning niet ontstaat door te veel doen, maar door te veel openstaan. Door waarnemen zonder dat er een plek is waar alles kan landen. Het lichaam blijft alert, ook als er geen directe reden is.

Dat herken ik bij mensen die niet opgebrand zijn, maar wel voortdurend “aan” staan. Die niet leeg zijn, maar ook zelden echt uit. Gevoelige mensen, afgestemd, open, met een groot waarnemingsvermogen. Die openheid is vaak iets liefdevols, iets eigens. Een vermogen om te voelen, te luisteren, te verbinden.

Maar openheid zonder bodem, zonder bedding wordt kwetsbaar.
Met bedding bedoel ik: een innerlijke basis waarin wat je voelt mag zakken — in je lichaam, in je adem, in je ondergrond. Zonder die bedding blijft alles circuleren in het hoofd en het zenuwstelsel, en ontstaat spanning zonder duidelijke oorzaak.

Een energielek ontstaat dan niet zozeer door (over)drukte, maar door gebrek aan landing. Door aandacht die zich verdeelt: een deel bij je werk, een deel bij je kind, een deel bij wat er nog moet. Door aanwezig te zijn op meerdere plekken tegelijk, zonder werkelijk ergens te landen. Het lichaam vangt dat op. Niet met alarm, maar met spanning.

Daar komt bij dat de wereld om ons heen niet zachter lijkt te worden. De toon is zwaar, de boodschappen vaak doordrenkt van waakzaamheid. Zelfs wanneer het gaat over veiligheid of voorbereiding, ligt er een onderstroom van alertheid onder. Niet altijd angstig, maar wel voelbaar. Het zenuwstelsel registreert meer dan het hoofd soms wil toegeven.

Wat ik daarin zie, is een merkwaardige samenloop:
mensen worden gevoeliger, opener, ontvankelijker —
terwijl tegelijk de werkelijkheid die hen omringt juist zwaarder en dichter aanvoelt.

Dit vraagt iets anders dan aanpassen of volhouden. Het vraagt leren dragen.
En dragen is iets anders dan afsluiten. Het betekent niet dat je minder voelt, maar dat wat je voelt een plek krijgt. Niet door jezelf te beschermen of dicht te gaan, maar door aanwezig te blijven terwijl je lichaam leert het gewicht op te vangen.

Aarden is daarin geen techniek, maar een proces. Een leren vertrouwen dat je lichaam dit kan — mits je het niet overslaat. Begrijpen helpt daarbij. Zien waar spanning ontstaat, waar openheid geen bodem, bedding of lichaam heeft. Begrijpen waar je misschien te lang open bent gebleven.

Misschien was dat de boodschap van die onvindbare aardlek. Niet dat er iets kapot was, maar dat er iets open stond. En dat open geen kwetsbaarheid of overgevoeligheid is, maar wel zorg vraagt.

In mijn werk ontmoet ik veel mensen die precies hier vastlopen. Niet omdat ze niet goed bezig zijn, maar omdat ze nooit hebben geleerd hun gevoeligheid te dragen. Dat is het veld waarin ik werk.

Mede vanuit die beweging zijn de workshops ontstaan die ik dit jaar geef. Niet als antwoord op een probleem, en niet als methode om jezelf te verbeteren, maar als ruimte om te ervaren wat er gebeurt wanneer je vertraagt. Wanneer aandacht niet omhoog schiet, maar naar beneden mag zakken. Wanneer gevoeligheid niet langer een open zenuw is, maar een kwaliteit die gedragen kan worden.

Transformatie zie ik daarbij niet als iets groots of spectaculairs, maar als iets dat gebeurt wanneer spanning gezien en begrepen mag worden. En wanneer het lichaam weer leert vertrouwen dat het kàn dragen wat zich aandient — juist in een wereld die zwaar en dicht voelt.

Wanneer gevoeligheid en spanning niet alleen worden herkend, maar ook geïntegreerd in je dagelijks leven, ontstaat ruimte voor innerlijke verandering — ruimte waar transformatie kan plaatsvinden. De transformatie-workshops die ik geef zijn er niet om de spanning te leren ‘verdwijnen’ , maar om te ervaren wat er gebeurt wanneer wat je voelt een plek krijgt en diepere lagen van jezelf worden gezien en geheeld. Ze bieden een veilige weg om patronen te doorzien, contact met je ziel te verdiepen en vanuit vertrouwen je gevoeligheid te laten meebewegen met het leven en alles wat het je brengt: van sneeuw-witte wereld, een stroomstoring tot een energie-lek. En alles daartussenin.

Recommended Articles